Ruim tien maanden duurt de reis nu al en het eind is vooralsnog niet in zicht. Ik lig nu zo’n drie maanden achter op mijn oorspron­kelijk schema en heb besloten om maar geen schema meer te maken. Deze brief gaat over de laatste drie maanden in Zuidoost Azië en begint in Hongkong, waar helaas na ruim 25.000 overlandkilometers geen andere mogelijkheid dan het vliegtuig meer open stond om mijn reis te vervolgen.

Na het communistische China kon de culture-shock niet groter zijn De overgang naar het ultramoderne, kapitalistische Hongkong is als het landen op een andere planeet. De hydrofoil-boot vanuit Canton leek ook wel iets op een ruimteschip. Alle westerse producten en geneugten zijn weer verkrijgbaar (en meer). Helaas zijn de prijzen ook weer gewoon hoog. Voor een Big Mac of een portie lasagna be­taal je net zoveel als thuis. Toch ben ik blij dat ik na acht maanden hiervan verstoken te zijn geweest mijn quantum aan westers comfort- en goederen weer kan aanvullen, “Cheers” en “Some like it hot” op de lokale tv kan zien en mijn inmiddels meer dan twintig diarolletjes kan laten ontwikkelen (dit laatste lukte nl. in Pakistan en China niet). Ik kan de verleiding van de lokkende etalages niet weerstaan en sla meer in dan ik eigenlijk nodig heb. De videocamera en de Dat-recorder kan ik echter nog wel laten staan.

Op een uurtje varen van Hongkong ligt het Portugese protectoraat Macao. Rustiger, maar ijverig proberend op gelijke hoogte met zijn grote broer te komen. Het is een ietwat geforceerd aandoende mix van koloniale Portugese herenhuizen, Rooms-katholieke kathe­dralen en ultramoderne torenflats. De belangrijkste attractie voor de meeste Chinezen en Hongkongers is overigens de grote ver­zameling Casino’s en gokpaleizen, waarin ik in één avond (als passief toeschouwer) meerdere malen mijn reisbudget van eigenaar zie verwisselen, meestal in de richting van de casino’s uiteraard. Wat er na de Chinese overname in 1999 (twee jaar na Hongkong) met Macao zal gebeuren is vrij onduidelijk. Gokken op deze schaal is nu nog in China verboden.

Met Air Lanka naar heet Bangkok, misschien de meest tot de ver­beelding sprekende stad in Azië, voor mij de grootste teleurstel­ling van de reis tot nu toe. Heet is het er wel; mijn kleren zijn vijf minuten na het verlaten van het airconditioned vliegveld klets­nat van het zweet. Voor de rest is Bangkok, druk, stinkend, la­waaierig, vervuild en vol met toeristen. Vreemd genoeg voel ik voor het eerst dat ik alleen reis tussen de hordes bruingeblakerde westerlingen in de special tourist-menu restaurantjes, de bars en reisbureautjes. Het lijkt of ik aan de Costa Brava beland ben; ik voel me hier absoluut niet op mijn plaats. Ik kijk al uit naar een alternatief als ik opeens Henk en Marion, mijn reisgenoten van de eerste twee maanden achter een pilsje zie zitten. Sinds Pakistan zijn zij door India en Nepal gereisd en ze komen nu net terug uit Vietnam en Laos. Het weerzien duurt helaas niet lang; zij reizen verder naar Maleisië en Indonesië; mijn plannen liggen richting Vietnam, Laos en Cambodja, het oude Indochina.

Thailand zie ik later nog wel eens. Ik ontvlucht de enorme toeris­tenchaos met Air France en onder het genot van camembert en rode wijn nader ik Ho Chi Minh City, beter bekend onder de oude naam Saigon…..

Enkele jaren later dan China opent ook Vietnam zijn deuren voor het toerisme. Nou ja, opent, zet de deuren op een kiertje zou een betere beschrijving zijn voor de Vietnamese vreemdelingenpolitiek. Men weet nog niet precies wat met de toeristen aan te vangen; de situatie verandert elke week en is afhankelijk van de willekeur van de dienstdoende ambtenaar. Feit is wel, dat het nu voor het eerst sinds de val van het Zuiden in 1975 mogelijk is om dit nu geheel communistische land te bezoeken.

In Vietnam kun je niet voorbij gaan aan het recente verleden. Natuurlijk was er de oorlog, maar het eerste dat opvalt als je Saigon binnenrijdt is de Franskoloniale invloed. Statige Franse gebouwen langs brede avenues en Frans stokbrood met paté, jambon of “la vache qui rit”-kaas. Mensen uit een bouwjaar van vóór 1954 spreken vaak perfect Frans en de restaurants serveren behalve Vietnamese loempia’s ook escargots en biefteck met crème caramel als toetje.

De Amerikaanse invloed is niet zo zeer te merken aan gebouwen of culinaire erfenissen, afgezien van de verroeste Esso-tankstations en Coca-Cola (gelukkig geen Mc Donald´s). Wel aan de mensen. Aan het tekort aan benen bijvoorbeeld, of andere lichamelijke manke­menten na het vechten in de zinloze oorlog. Of aan de vaak trieste verhalen van de ex-Saigonsoldaten. Verhalen over re-educatiekam­pen na de “bevrijding” door het noorden. Verhalen over per boot gevluchte familie waar nooit meer iets van vernomen is. Helaas eindigen deze verhalen vaak met een smeekbede om geld.

Dit werkt goed op het schuldgevoel van de Amerikaanse toeristen. Vaak zijn universitair geschoolde Saigonezen na de communistische overname uit hun vroegere functie ontzet en hebben nu geen kans meer op een redelijke baan; ze waren immers “fout” in de oorlog. Deze perfect Amerikaans sprekende slachtoffers zijn nu soms niet meer dan cyclo-drivers, de Vietnamese versie van de riksja.

De oude Amerikaanse ambassade en het “museum van imperialistische oorlogsmisdaden” zijn andere herinneringen aan het recente verleden van Vietnam, die in Saigon te bezichtigen zijn. Er worden nog steeds Vietnam films opgenomen. Op dit moment werkt er een Frans-Amerikaanse filmploeg aan een film over “het andere Vietnam”. Het levensverhaal van een gevluchte Vietnamese die nu terugkeert vanuit de V.S. naar haar vaderland. Westerse toeristen spelen als figuranten mee, verkleed als Franse kolonialisten uit de twintiger jaren. Ook in Hué en Hanoi schijnen de filmploegen op volle toeren te draaien. De Rambo films worden overigens niet in Vietnam, maar in Thailand (of Hollywood) opgenomen.

Nabij Saigon zijn de tunnels van Cuchi een toeristische attractie geworden. Een netwerk van ruim 200 kilometer uiterst smalle gangen, gegraven door de Noordvietnamese Vietcong tijdens de oorlog, om de activiteiten van het Zuiden (letterlijk) te ondermijnen. Deze tunnels zijn waarschijnlijk een van de belangrijkste redenen voor het succes van de Vietcong geweest. Zelfs na herhaaldelijke bom­mentapijten en aanvallen met ontbladeringsmiddelen slaagden de Amerikanen er niet in de gangen op te sporen of te vernietigen.

De ex-Vietcong soldaat die ons rondleidt heeft zelf 15 jaar in de tunnels doorgebracht. Ikzelf kom na 50 meter en 10 minuten, zwetend en onder stof uit de claustrofobische ruimte te voorschijn. Een roestige Amerikaanse tank, naast de bomkraters en boobytraps maken het indrukwekkende scenario compleet.

Ik huur met drie anderen een auto voor een tochtje naar het Zuiden, de Mekong-delta het vruchtbaarste gebied van Vietnam. Dit gebied lijkt meer op China dan het grootste gedeelte van China zelf. Overal rijstvelden, palmbomen en mensen met strooien hoeden. De rijst ligt op de wegen te drogen, de bamboehutjes op palen staan langs en in de vele vertakkingen van de Mekong rivier. De mensen lijken qua uiterlijk op Chinezen, maar iedereen lacht

en zwaait naar je. Als we stoppen in een dorpje worden we meteen omzwermd door hordes kinderen die je aanstaren alsof je de eerste blanke bent die ze zien. Dat kan in dit geval trouwens wel kloppen want de laatsten zijn in 1975 uit Vietnam vertrokken en we zijn nu weer bij de eersten. Af en toe zie je wel een verdacht blonde of licht-ogige jongeling tussen de zestien en tintig jaar. De “Amerasians” zijn een andere erfenis van de Amerikanen samen met de (vergeleken met het noorden althans) vrij goede wegen van- en naar Saigon.

In Vietnam kun je officieel nog niet vrij rondreizen. Je hebt een reisvergunning nodig. Die haal je bij de politie en kost geld. Als je hem niet hebt en je wordt gepakt kost het meer geld. De tocht van Saigon naar de noordelijke hoofdstad Hanoi beslaat 1800 kilometer. Met enige moeite lukt het om een vergunning te krijgen het hele parcours met het openbaar vervoer over land af te leggen. Voor het eerst sinds Pakistan reis ik weer eens met een Nederlander, Ben uit Dordrecht. Via Dalat, een plaatsje dat lijkt op een Frans provinciestadje uit de Vogezen, en de kustplaats Nha Trang reizen we noordwaarts naar Hoi-an en Danang, naar de beroemde China Beach, waar de Amerikanen een grote legermacht aan land zetten. Overal krijgen we dezelfde gastvrije ontvangst, alsof wij de nieuwe bevrijders van Vietnam zijn. Veel mensen hopen dat je hen kunt helpen het land te verlaten en vooral jonge vrouwen hopen een be­vrijder te ontmoeten, die hen meeneemt naar de als paradijzen klinkende westerse landen. Vooral de V.S. zijn populair. Velen hopen op een politieke ommekeer als in Oost-Europa en een opstand als in China is niet ondenkbaar. Toch is de angst om hier­over te praten duidelijk aanwezig. Men loopt het risico bij al te veel contact met ons met de politie in moeilijkheden te komen. Meer nog dan in China is het hier gevaarlijk om met Westerlingen te praten.

Het is overigens ongelooflijk hoe snel de mensen oorlog schijnen te vergeten en de Amerikanen te vergeven. Terwijl overal de manke oorlogsslachtoffers nog rondstrompelen worden de nieuwe toeristen (inclusief de Amerikanen) zowel in het noorden als in het zuiden ontvangen op een manier die ik eerder alleen in Iran ervoer (ook een land dat officieel anti-V.S. is). Ten opzichte van de communistische broeders zijn ze echter minder vriendelijk. Ze minachten de Chinezen en haten de Russen. Kinderen in de straat roepen vaak “Lienxo, lienxo !” (Rus,Rus) en dat klinkt niet vriendelijk. ” Toi Kong phai Lienxo” (ik ben geen Rus!) is dan ook een van de meest nuttige zinnetjes uit de “survival kit” voor Vietnam.


Het land is mooi en groen, de stranden zijn ongerept, de mensen zijn vriendelijk, de vrouwen zijn de mooiste van Azië, Vietnam is echter straatarm. Dit is onder andere te merken aan het openbaar vervoersysteem. Ik ben al heel wat oude wrakken van bussen gewend op mijn reis, maar de Vietnamese express­bussen slaan alles qua oncomfort. De minstens dertig jaar oude bakken schroot met “Desoto”, “Dodge” of “Chevrolet” opschriften (zijn het echt Amerikaanse bussen?) worden volgepropt met mensen, dieren, handelswaar en soms toeristen. Een anecdote:

“Ik heb de beste plaats in de bus weten te bemachtigen; de enige met beenruimte, schuin achter de chauffeur, voor de 500 km lange en 20 uur durende rit tussen Nha Thrang en Danang. Eén been kan nu onder de chauffeursstoel, het andere leg ik comfortabel op de motorkap midden in de bus. De versnellingsbak zit tussen mijn benen, zodat ik bij elke schakelpoging moet gaan verzitten. Die schakelpo­gingen lukken trouwens zelden in een keer, want het enige onderdeel dat echt goed werkt in de bus is de claxon, die dan ook voornamelijk wordt gebruikt om niet te hoeven remmen of aan het stuur te draaien. Het dashboard bevat één klokje, waarvan de wijzer continu op nul staat. Er steken twee draadjes uit het stuur. Als deze tijdens een regenbui tegen elkaar worden gehouden maakt een kleine ruitenwisser aarzelend een veeg over de voorruit, die eruit ziet of het door een geweersaldo is getroffen. Gelukkig zie je hierdoor niet zo goed alle “narrow escapes” met tegenliggers en bomen, die niet zo goed zijn voor hart en zenuwen. Naarmate we noordelijker komen wordt de weg slechter; meer gaten en kuilen en een lekke band is dan ook onvermijdelijk. Het is de eerste keer dat de stopt anders dan om nog meer mensen en bagage erbij te laden. De chauffeur maakt hier een grote fout. Hij zet de motor uit. om de bus weer op gang te krijgen moeten we duwen, hierbij oppassend dat we niet door de gepla­muurde beplating heen stoten. Dit alles, samen met het werkelijk ongelooflijk mooie landschap, groene rijstvelden, beboste heuvels en kustlijnen met maagde­lijke witte stranden,maakt deze busreis tot een belevenis. Als we na middernacht in Danang aankomen is het te laat om nog een goedkoop hotelletje te vinden. We wachten, sterke Vietnamese koffie drinkend in het busstation op de bus van morgenvroeg die naar het naburige plaatsje Hoi-An gaat. Hier slaap ik een dag en een nacht lang.”

Het is nog ruim 650 km naar Hanoi en ik prefereer de treinrit van twintig uur boven nog eens een bus van dertig uur. Net als in China betaalt de kapitalis­tische bezoeker hier meer dan een arme local. Het verschil is hier zelfs nog groter. Vier keer zoveel, er is nauwelijks aan te ontkomen, maar het voordeel aan comfort is het extra geld wel waard en ik kom redelijk uitgerust in de hoofdstad aan. Hanoi lijkt in eerste instantie op Saigon: grote, Franse koloniale gebouwen en brede straten met schaduwgevende bomen en stokbrood met paté. Toch zijn er verschillen. De Amerikanen zijn hier nooit geweest, behalve boven de stad in hun B52 vliegtuigen en in het “Hanoi Hilton”, de krijgsgevangenis. De mensen zijn iets minder openhartig, maar wel vriendelijk. Het noorden is armer, maar toch zijn er minder bedelaars. Ze zijn ook niet de kortstondige welvaart van het zuiden gewend; misschien hebben ze iets meer trots.

Terwijl in Hanoi aan mijn Laos-visum wordt gewerkt, ga ik nog iets verder noord­oostwaarts, per bus en boot naar Halong-Bay, een baai die bezaaid is met honder­den rotseilandjes, gehuld in een dichte mist, waar je met een boot tussendoor kunt varen. Een ideaal watersportoord, in een toeristisch land, hier gelukkig slechts bevaren door vissersboten en traditionele jonken. Hopelijk blijft dit gebied zo ongerept als er straks meer toeristen gaan komen.

=====================

Vietnam is het eerste land waar ik zeker naar terug wil, als de reisrestricties iets minder streng worden. Het is een ideaal land om bijvoorbeeld per fiets doorheen te trekken. Niet teveel bergen, vriendelijke, gastvrije mensen en een adembenemend mooi landschap. Je kunt dan stoppen op de plaats waar de bus of trein nu doordendert.

Vanuit Saigon is er een weg naar Phnom Penh en in Saigon is een ambassade die je daar tegen betaling wel naartoe wil rijden in een officiële diplomatieke wagen.

Vietnam is een arm land, maar rijk en welvarend vergeleken met Cambodja. De groene rijstvelden houden meteen bij de grens op en maken plaats voor een kale, steppeachtige vlakte met hier en daar verspreid eenzame palmen en bom­kraters. Het land is totaal verwaarloosd door de jarenlange oorlogen en de burgeroorlog die nog steeds niet afgelopen is. Bedelaars staan met opgeheven handen langs de weg als onze auto voorbij scheurt. We passeren oude Amerikaanse bakken en Peugeot 404’s, afgeladen met mensen, die hier zelfs op het dak en voor op de motorkap zitten met hun hele hebben en houwen.

Phnom Penh is heet, stoffig, kaal en lelijk. Vele gebouwen zijn kapotgeschoten en nooit gerepareerd. Wel wonen er nog mensen in; andere ge­bouwen staan leeg. Er zijn airconditioned hotels met koelkast op de kamer, maar viel in Saigon de stroom nog wel eens uit, hier is er af en toe een korte periode met licht en koelte. De duurdere hotels hebben een eigen generator, de rest van de stad kent deze luxe niet. Na zonsondergang is het buiten deze hotels dan ook stikdonker en de straten ogen uitgestorven, terwijl de avondklok toch pas om middernacht ingaat. De Franse invloed, inclusief restaurants en stok­brood is er wel, evenals Heineken, Amstel, Oranjeboom en twee merken “royal Dutch Brew”, die ik nooit elders gezien heb.

Onder de “things to see” in Phnom Penh is behalve een aantal Khmer tempels en het koninklijk paleis het museum van Pol Pot. Het is een oud schoolgebouw dat door de rode Khmers van Pol Pot tussen ‘75 en ‘79 als concentratiekamp gebruikt is voor iedereen die om de een of andere reden in de handen van dit wreed heerschap viel. Niemand overleefde het kamp. In de “Killing fields”, vijftien kilometer buiten de stad zijn in massagraven de lijken gevonden van meer dan 20.000 mannen, vrouwen, bejaarden en kinderen. Er is daar een luguber monument opgericht, gevuld met de duizenden schedels van de slachtoffers. Phnom Pen is nu weer in (door Vietnam gesteunde) regeringshanden, maar de Khmer Rouge is nog steeds actief in sommige provincies,en zelfs Pol Pot leeft nog (ergens verscholen in oost- Thailand). De vredesbesprekingen beginnen volgende maand in Jakarta, maar veel hoop op een definitieve vrede straalt niet van de bevolking af.

De tempels van Angkor Wat in het noordwesten van Cambodja behoren tot de weinige voor toeristen opengestelde gebieden van het land. Dit enorme complex van oude Hindu-Boeddhistische-Khmer-tempels uit de 9e-12e eeuw, volgens de prospectus een van de wereldwonderen, is om veiligheidsredenen slechts per vliegtuig uit de hoofdstad te bereiken. Dit en de absurd hoge entreeprijs van 100 US dollar maken Angkor Wat tot de duurste tempel ter wereld en het duurste grapje uit mijn reis tot nu toe. Ik vond het echter, nu ik in Cambodja zat, een niet te missen kans, om dit weinig bekende archeologische hoogtepunt van Zuidoost Azië te bezoeken en zette mijn budgetprincipes maar even opzij.

De tempels liggen verspreid over een gebied van tientallen kilometers. De bekendste zijn Angkor zelf en de Barkortempel, maar de voor mij meest indrukwekkende, die de hele reis de moeite en het geld meer dan waard maakte waren de weinige tempels die niet gerestaureerd en volledig aan hun lot en de oprukkende jungle overgelaten zijn. Het is een combinatie oude Khmer-bouwstijl en het machtige oerwoud, dat het geheel overwoekert. Tempelmuren zijn doorkliefd door de wortels van de enorme woudreuzen, terwijl de struiken en slingerplanten uit neus en oren van de gigantische Boeddhahoofden groeien.

Het lijkt alsof je de “temple of doom” uit een Indiana Jones-film binnenstapt. Het complex is zo groot dat je je alleen waant met de natuur: de bomen, het ge­luid van de krekels, kraaien, tropische vogels en af en toe een geweerschot uit de verte.

De frontlijn van de gevechten tussen regeringsleger en rode Khmers ligt niet ver hiervandaan. De geruchten variëren van tien tot zestig kilometer. Er zou echter voornamelijk op vogels geschoten worden, wordt ons geruststellend verzekerd. Het is wel nog steeds gevaarlijk om buiten de paden van het tempelcomplex rond te wandelen. Het gebied ligt bezaaid met mijnen en volgens een Belgische arts van “Medicins sans frontières” die ik tegen kom komen er nog elke dag gevallen van beenamputaties binnen in de Cambodjaanse ziekenhuizen en vooral in dit gebied.

Meer nog dan in Vietnam zie je hier de kreupele bedelaars, slachtoffers van Amerikaans, Vietnamese, Cambodjaanse-, of rode Khmer-mijnen. Toch is ook hier de haat niet gericht tegen het Westen. Niet tegen de Amerikanen die het land jarenlang bombardeerden en de rode Khmers indirect steunden. Wel tegen de rode Khmers en de Vietnamezen, die nu officieel zijn teruggetrokken uit het land, maar nog steeds een “puppet-regering”aan het roer houden.

Het laatste land in Indo-China voor ik terugga naar Thailand. Het visum is slechts zeven dagen geldig en geeft officieel geen recht om buiten de provincie Vientiane te reizen. Hiervoor zijn weer andere vergunningen en veel geld nodig. De interessante Laotiaanse streken zijn net als in Cambodja slechts per vlieg­tuig en in dure georganiseerde tours te bereiken. Ik zie hier ditmaal vanaf en blijf in Vientiane. Deze stad lijkt meer op een klein provincieplaatsje dan op een hoofdstad. Er is niets te beleven en de enige interessante bezienswaar­digheid is Wat Xieng Kwang, een absurde moderne Hindu Boeddha- tempel, af eigen­lijk een beeldenpark met een luierende Boeddha en een tempel in de vorm van een pompoen. Het lijkt meer op Disney World of op een opeenhoping van Boeddha-karikaturen. Aan de overkant van de rivier de Mekong staat een dergelijke tempel van dezelfde architect. Ik zit dan ondertussen weer in Thailand, waar gisterenavond om kwart voor negen met donderend geweld de moesson begonnen is ……….

Mijn reis gaat nu verder via Maleisië en Sumatra naar Jakarta waar ik rond 1 juli denk te arriveren , daar beslis ik over mijn verdere plannen.

Dit verhaal delen?
  • Hyves
  • NuJIJ
  • Facebook
  • LinkedIn
  • Google Bookmarks