“En wat ga je nu doen?”, vraagt de man bij het arbeidsbureau me goedbedoelend. “Zo lang buiten het arbeidsproces, dat is toch funest in jouw richting”. Hij is niet de enige die me deze vraag stelt. Het ligt voor de hand dit te vragen; het antwoord daarentegen is niet zo eenvoudig. Ik heb geen flauw idee. Eerst even anderhalf jaar reizen verwerken. Daar valt ook het schrijven van deze (voorlopig) laatste reisbrief onder. Daarna zie ik wel weer verder. In Nederland ben je in de gelukkige omstandigheid dat je je dat kun permitteren…..

De vorige reisbrief eindigde in Sarawak, het Maleisische gedeelte van Borneo. Om het rondje Zuidoost Azië te voltooien moet ik terugvliegen naar Hongkong. De goedkoopste vlucht gaat met Philippine Airlines via Manila. Dus waarom daar niet gewoon uitstappen en een tijdje door de Filippijnen reizen? Het ligt toch op de route.

De Filippijnen


Weer eens een nieuw land. Een van de weinige die in mijn Lonely Planet gids staat vermeld en die ik nog niet bezocht. Een heel ander land opeens, vergeleken met de rest van Zuidoost Azië. Dit heeft rechtstreeks met het koloniale verleden van dit land te maken. Als een van de weinige landen in deze regio zijn de Filippijnen niet door de Engelsen (of de Nederlanders) gekolonialiseerd, maar door de Spanjaarden en, recenter, door de Amerikanen. De eersten brachten er het katholicisme en lieten veel Spaanse taalinvloeden achter. De laatsten brachten er behalve militaire bases en geld ook coca cola, McDonalds en andere fast-food ketens, jeeps, Amerikaanstalige radio-­en televisiestations en de maffia. Toen in het begin van deze eeuw Amerikaanse missionarissen naar dit land kwamen, merkten ze dat ze te laat waren; iedereen was al bekeerd. Door deze mengelmoes van invloeden lijken de Filippijnen eerder op een Zuid-Amerikaans, dan op een Aziatisch land (voor zover ik dat kan beoordelen). Vooral de relatief hoge criminaliteit doet me dit vergelijk maken. Meer dan waar ook in Azië hoor je verhalen over berovingen, oplichterspraktijken en zelfs roofovervallen met dodelijke afloop. In Manila worden de pensions steevast door bewapende wachten bewaakt. Ook in de banken staan bewakers met machinegeweren.

Het openbaar vervoer is uniek. De bemo’s uit Indonesië of de tuk-tuks uit Thailand zijn vervangen door zogenaamde jeepneys. Een jeepney is een Amerikaanse jeep, om- en uitgebouwd tot een imposant busachtig voertuig met veel chroom, toeters, bellen en veelkleurige koplampen. Ze adverteren voor Jezus en Maria en hebben meestal vrouwennamen als Madonna, Jessica, Catharina etc. Als je goed kijkt, zie je ook op een klein bordje achter de voorruit de bestemming staan. Dit is soms ook wel handig. Als je namelijk vraagt waar ze naartoe gaan, wordt je meteen naar binnen gesleurd met een “yes, this one”, ongeacht waar je naartoe wil. Zo kom je dus erg vaak op een verkeerde bestemming terecht.

Als ik in Manila arriveer, blijkt ook net Imelda Marcos, de weduwe van de overleden ex-president teruggekeerd te zijn. Ze heeft een iets duurder hotel dan ik. Voor tweeduizend dollar per dag huurt ze de bovenste twee etages van het Plaza-hotel. Ik bezoek haar voormalige presidentieel paleis, nu door Aquino tot museum omgedoopt, en zie Imelda’s twaalfhonderd-en-tweeëntwintig paar schoenen en driehonderd bruidsjurken. Een paar uurtjes later zie ik het schrille contrast met deze overmatige rijkdom; de harde werkelijkheid van het leven van tienduizenden mensen in Manila: Smokey Mountain. Hier leven de armsten van het afval van de rijkeren op de vuilnisbelt. De stank van het rottende en gedeeltelijk brandende afval komt je al van verre tegemoet. In de enorme vuilnishopen lopen honderden mensen met stokken, schepjes en plastic zakken te zoeken naar iets bruikbaars. Als er een vuilniswagen met nieuwe voorraad arriveert, stijgt er een gejuich op en wordt er achteraan gehold. Een heel dorp is er gebouwd op de vuilnisbelt, compleet met winkeltjes, restaurantjes en een soort veldhospitaal. Wat opvalt is dat de mensen hier vrolijker lijken dan in de rijkere buurten van de stad. Er wordt vreemd genoeg ook nauwelijks gebedeld; slechts gelachen en gezwaaid en iedereen wil op de foto.

Buiten het drukke, lelijke Manila bestaan de Filippijnen uit idyllische tropische eilandjes, rokende vulkanen, kraakheldere riviertjes en watervallen door maagdelijke jungle en de oudste rijstterrassen van de wereld. Ik maak een boottocht door een smalle rotsspleet naar een bulderende waterval en vaar door het scenario van de film “Apocalypse now”, hier opgenomen.

Bij de stad Legaspi ligt de misschien wel meest perfect gevormde vulkaan van de wereld. Eentje die eruit ziet zoals ieder kind hem zou tekenen. Een afgeplatte driehoek met een rookpluim. Als ik er na een nachtelijke boottocht aankom zie ik niets, slechts dichte bewolking en een ruïne van een kerk, die eind vorige eeuw door een uitbarsting van de Mayon-berg verwoest werd. Pas tegen de avond, als ik op het punt sta, de stad weer te verlaten trekt de bewolking ineens op en zie ik het perfecte plaatje voor me. Beklimmen kan ook, maar ik word een beetje lui en stel me tevreden met het uitzicht vanaf de voet van de berg.

Borocay is volgens velen het meest ideale eiland van Azië. Het strand is witter dan op Bali, de zee helderder dan in Thailand, en het bier goedkoper dan in China. Na drie dagen begin ik me er echter stierlijk te vervelen. Ik lees boeken, schrijf brieven, drink bier en heb het idee dat ik mijn tijd zit te verdoen. Ik ben teveel verwend door tropische verrassingen, dus ik verlaat het mooiste eiland van mijn reis om een duikcursus te volgen op het eiland Cebu, waar het koraal en de visfauna beter schijnt te zijn en de cursus goedkoper. Wat ik van het snorkelen in Indonesië al wist gaat er onder water een ongelooflijk mooie, nieuwe wereld voor je open. De sensatie van het onder water ademen voegt nog een extra dimensie toe aan deze belevenis. In vijf dagen haal ik hier mijn PADI-duikersbrevet, waarna ik nog wat “fun-dives” onderneem, zoals een duik met camera, een nachtelijke duik met een zaklamp en een extra diepe duik (veertig meter). Het is verslavend. Op de laatste dag wordt het duiken bemoeilijkt door hevige wind en golfslag, en het zicht onder water verslechterd door opstuivend zand. Later hoor ik dat er op het eiland Leyte, nauwelijks honderd kilometer verder duizenden doden zijn gevallen door aardverschuivingen en overstromingen, veroorzaakt door dezelfde,typhoon die ons zicht belemmerde.

Het is de derde grote natuurramp op de Filippijnen binnen twee maanden. Na de catastrofale uitbarsting van een vulkaan ten noorden van Manila en een aardbeving nu deze typhoon. Een politieke aardbeving wordt nog verwacht als de twee weduwen Marcos en Aquino het tegen elkaar gaan opnemen in de strijd om het presidentschap, maar dat maak ik niet meer mee. Mijn visum is verlopen en ik boek mijn vlucht terug naar Hongkong, waar ik acht maanden geleden aan mijn zuidoost-Aziatische rondreis begon.

“Enkeltje Eindhoven graag.” “Centlaal of Beukenlaan?”

Terug op het punt waar mijn overlandreis eindigde, wil ik nu ook weer overland terug. Via een andere weg uiteraard. Het is moeilijk te geloven, maar er gaat een spoorlijn helemaal van Hongkong naar Eindhoven, waar ik mijn reis begon. Je kunt de hele weg per trein afleggen en je hoeft maar vier keer over te stappen (Canton, Beijing, Moskou en Utrecht) op het ruim dertienduizend kilometer lange traject.

China, deel 3


opnieuw in China. Nu slechts op doorreis, onderweg naar huis. Toch zijn er nog een paar “musts” in dit enorme land waar ik nog niet eerder aan toe kwam. Wat te denken van de Chinese Muur, of de Verboden Stad. En ik wil nog Peking eend eten.

Als ik de grens van Hongkong met China over kom blijkt opnieuw de immense tegenstelling tussen deze twee. Vanaf het moment waarop je de douane van Hongkong verlaat, ben je aan je lot overgelaten. Zoek het nu maar uit. Het kost enige moeite om de Chinese immigratie te vinden; de uitgang van het douanegebouw is de volgende puzzel. Dan het treinstation nog vinden. Opeens spreekt niemand meer Engels, maar ik ben blij verrast als ik bij de ingang van het station aangesproken word in het Chinees en nog versta wat men zegt ook:

“Mai piao!!”, snauwt een stationsbewaakster me toe. 0, eerst kaartje kopen, voordat je het stationsgebouw binnen mag. “Nali?”, waar?, vraag ik. Ze wijst naar een andere ingang even verderop. “Wo yao mai piao qi Guangzhou”, probeer ik voorzichtig bij het loket. “Canton? Thirty two dollars and fifty cents, please”. Meteen krijg ik het kaartje. Enkele uurtjes later kom ik aan in Canton. Op rode banieren zie ik teksten afgedrukt: “Warm welcome to our foreign guests! Dat klinkt heel wat vriendelijker dan “Aliens are not permitted to go beyond this point”, hetgeen ik vaker in dit land las. De verwelkomingen zijn echter niet voor mij bedoeld, maar voor de teams van het wereldkampioenschap damesvoetbal, dat hier volgende week start. Ik kan daar niet op wachten; over tien dagen vertrekt mijn trein naar Mongolië en Moskou, dus ik boek een kaartje naar Beijing. “Hard seat only”, voor de zesendertig uur naar de hoofdstad. Ik zal wel zien of ik het overleef, in mijn eentje twee nachten op een hard bankje tussen de Chinezen. Het valt mee; het bankje is niet zo hard; het is een nieuwe, iets luxere trein dan normaal en de Chinezen zijn aardig, vooral nadat ze allemaal mijn walkman geprobeerd hebben en mijn woordenboekje verslonden. Ik hou het uit en kan zelfs af en toe wat pitten, terwijl de trein langzaam noordwaarts rijdt.

Voor de tweede achtereenvolgende keer “vier” ik mijn verjaardag in de Chinese volksrepubliek. Vorig jaar zat ik op een terrasje in de zon in Lhasa, nu op een bankje in de trein naar Beijing.

Beijing

Nauwelijks een week geleden lag ik op een tropisch eilandje op de Filippijnen, nu duizenden kilometers noordelijker in de vrieskou van Peking, terwijl ik nog steeds in een t-shirtje loop. Het eerste wat ik doe is warme kleren inslaan, vooral ook met het oog op het vervolg van de reis, dwars door Siberië in de winter! In mijn nieuwe winterjas loop ik naar een fietswinkel en schaf een degelijke, Chinese fiets aan, die ik mee naar Nederland wil nemen in de trein. In Beijing test ik hem uit. Vooral de bel en de remmen zijn belangrijk als ik me een weg baan naar het Tienanmen-plein (plein van de hemelse vrede). De toegangswegen zijn breed genoeg om er met een minstens vier tanks van het Chinese leger naast elkaar te rijden. Nu oogt alles erg vredig; slechts wat bussen en duizenden fietsers delen de weg met mij. Het beruchte plein is nu niet meer bevolkt door hongerstakende studenten, maar door hordes dagjesmensen, die foto’s van elkaar maken met op de achtergrond de “poort van de hemel” of het gigantisch grote portret van voorzitter Mao. Door de poort van de hemel kom je in de voormalige “verboden stad” van de Chinese keizer; nu een museum. Vanwege de openstelling van het paleis voor het gewone volk mist het de mysterieuze, mystieke sfeer en stilte die ik me uit de film “The Last Emperor” herinner. Mooi is het wel, groot en imposant ook.

Een ander groot en imposant object in China is natuurlijk de Grote Muur. Na bijna een half jaar China heb ik de waarschijnlijk eerste associatie met dit land nog niet gezien. “Te toeristisch, niet naartoe gaan”, zou een echte traveller wellicht opmerken, en niet geheel ten onrechte. Als je de verhalen hoort over efteling-achtige entourages bij de muur, compleet met stoeltjesliften, parkeerplaatsen voor tourbussen, souvenirwinkeltjes (t-shirts met “I climbed the great wall” opdruk) en belachelijke entreeprijzen voor buitenlanders, vergaat je de zin al gauw deze “tourist-trap” te bezoeken. De muur is echter zo’n slordige vijfduizend kilometer lang en er kunnen toch niet overal souvenirwinkeltjes staan. De “travellertruuk” werkt als volgt: Vermijd de officiële tours naar de muur maar neem het lokale treintje naar Qinglongqiao en loop naar de muur. De muur is hier net zo indrukwekkend als een paar kilometer verderop en geen toerist te bekennen.

Ik ben blij dat ik “hem” toch gezien heb. Je kunt honderden keren foto’s en plaatjes gezien hebben van dit wellicht meest absurde architectonisch project uit de wereldgeschiedenis; niets overtreft de werkelijkheid. Het ruim tweeduizend jaar geleden door keizer Qin (dezelfde die in Xi’an het terracottaleger liet bouwen, zie reisbrief 3) gestarte bouwwerk heeft echter nooit aan het doel, het verdedigen van het Chinese rijk tegen de Mongoolse Djenghis Khan, voldaan. Een ander interessant kenmerk van de muur is er een dat keizer Qin nooit heeft kunnen vermoeden. Het is, samen met de deltawerken en de afsluitdijk in Nederland het enige bouwwerk dat met het blote oog vanaf de maan te zien is!

De Transmongolië-Transsiberië express

Samen met een Italiaans-Frans stel, een Engelse football hooligan en een Chinese fiets begin ik aan de volgende etappe van de thuisreis, van Beijing naar Ulaan Baator in Mongolië. Anderhalve dag dendert de trein door de Gobi-woestijn noordwaarts. Duizenden kilometers zonder een spoor van leven, of het moest de spoorlijn zijn, waar we overheen rijden, met de elektriciteitsleidingen ernaast. Voor de rest slechts een oneindige lege, koude vlakte, zich in alle richtingen tot aan de horizon uitstrekkend. Ergens midden in dit niets ligt de grens met Mongolië. Hier beginnen voor mijn reisgezel, de fiets, die tot nu toe in het gangetje naast de cabine meegereisd is de eerste moeilijkheden. Hij mag niet mee van de Chinese douaneambtenaar. Ik moet hem achterlaten en men belooft hem in de volgende bagagetrein mee te sturen. Ik heb weinig hoop het rijwiel ooit nog terug te zien. Wat kan ik doen als ik straks in Ulaan Baator geen fiets aantref? Weinig, en dat weet men hier ook.

Mongolië
Op het station van de hoofdstad (en eigenlijk de enige stad in dit land) staat een gids ons op te wachten met een bus die ons naar Terelj zal brengen, een kleine nederzetting zeventig kilometer buiten Ulaan Baator. We zullen hier in een authentieke, Mongoolse yurt overnachten. Een yurt is een stoffen ronde tent waar de nomadische Mongoliërs in wonen. Buiten vriest het acht graden; binnen staat een houtkachel met zijn schoorsteen door een gat in het dak en een stapel dekens om ons warm te houden. Een hippie-achtige Amerikaan voegt zich hier bij ons gezelschap.

We werden gewaarschuwd voor de voedselschaarste in dit land. Vlak voor vertrek uit Beijing hebben we dus een flinke hoeveelheid noodvoedsel ingeslagen: pinda’s, rozijnen, ingeblikt vlees en tonijn, instant bami en crackers. Verbaasd reageren we dan ook op de overweldigende hoeveelheid voer die ons voorgeschoteld wordt. Ontbijt, lunch en diner bestaan uit meerdere gangen met meer brood, vlees en soep dan we op kunnen. Gelukkig neemt hierdoor het eten een groot gedeelte van de dag in beslag, want erg veel meer te beleven dan wat wandelen in de sneeuw is hier niet.

In Ulaan Baator is er een duidelijker programma; we zien een Tibetaans aandoende lamatempel, een natuurhistorisch museum en krijgen een culturele avond aangeboden. Het meest is me echter de middag “winkelen” bijgebleven. Grote warenhuizen waar bijna niets te koop is. Vier etages met lege schappen; winkels die lijken op rommelmarkten tegen sluitingstijd; een supermarkt met slechts één produkt. Er staat een rij van zeker vijftig mensen in de overigens lege winkel om een doosje eieren te bemachtigen. Een triest contrast met de overdaad aan voedsel waarmee wij in het hotel overspoeld worden. In de paar kleine winkeltjes waar wel iets te koop is kan alleen met dollars afgerekend worden. De straatwaarde van deze harde valuta is dan ook veel hoger dan de officiële bankkoers. Het enige waar geen gebrek aan lijkt te zijn is alcohol, gezien het aantal dronkaards op straat. Drinken, en dan elkaar in elkaar slaan lijkt het enige tijdverdrijf van de Mongolen.

Als de impressies van Mongolië een voorproefje zijn van wat we in de voormalige Sovjet-unie, waarvan dit eigenlijk niet meer dan een satellietstaat is, zullen aantreffen, wachten ons nog veel trieste taferelen. Na vier dagen in dit land wacht ons de treinrit van ruim vier dagen naar Moskou. Wonder boven wonder vind ik mijn fiets bij het bagagedepot op het station. Hij mag echter weer niet met me mee, maar wordt apart vervoerd in de volgende trein. In Moskou moet ik hem dan weer zien op te sporen.

Siberië

Midden in de nacht worden we uit onze slaap gewekt als een officieel uitziende man de coupédeur opentrekt: “Pazzpoortz”. De Russische douane. De trein staat uren stil. Veel Russen en Mongolen moeten al hun bagage uitpakken en veel smokkelwaar schijnt geconfisceerd te worden. Eigenlijk ben ik blij dat mijn fiets met een andere trein meegaat.

Siberië ziet eruit zoals het moet. Zoals ik het ken van plaatjes en zoals ik het me voorstel bij het horen van “de dodenrit naar Omsk” van drs. P.: wit besneeuwd en koud; uitgestrekte glooiingen slechts begroeid met berkenbomen en af en toe een kerstkaart-achtig dorpje. Dat het koud is merken we aan den lijve als we het raampje van de coupé met veel geweld open maken voor het maken van een foto en voor het schoonmaken van de ruit. Het raam vriest meteen vast en het duurt uren voor we het weer dicht krijgen, zodat we Siberië even binnen krijgen in onze coupé.

De tijd wordt gevuld met eten, drinken en het vertellen van sterke verhalen. Vooral Peter, de Engelse voetbalvandaal scoort hoog op dit laatste onderdeel. Aan entertainment geen gebrek; de dagen vliegen voorbij.

Naarmate we dichter bij Moskou komen neemt de handel in de trein toe. Steeds vaker worden we benaderd door Russen die “chiensj doelaar” fluisteren, de inhoud van onze rugzakken willen kopen of legeruniformen en KGB-petten aan de man proberen te brengen. De koers voor de roebel wordt met de dag gunstiger. Bij de Mongoolse grens bracht een dollar ongeveer veertig roebel op; in Omsk krijg je er al tweemaal zoveel voor. In Moskou komen we er achter dat hier zelfs de officiële bank negentig roebel geeft voor een “doelaar”.

Moskou

Eens de hoofdstad van een supermacht. Nu een chaotische stad waar alles elke dag schijnt te veranderen, een stad met absurde tegenstellingen. De overgang van communisme naar een vrije markteconomie gaat gepaard met een enorme inflatie. Eigenlijk is de reden een jarenlang ontkennen en negeren van inflatie. Nu men eindelijk toegeeft dat de roebel niets waard is ontstaan er vreemde situaties. Hotels voor buitenlanders zijn onbetaalbaar, daar deze in dollars betaald dienen te worden; een ontbijtbuffet in een dergelijk hotel kost nog geen kwartje omdat dit nog in roebels betaald mag worden. Een “big mac” bij de grootste McDonalds van de wereld kost vijftig cent; een schijf pizza bij “pizza hut” veertien cent. Opbellen naar Nederland kost zestien cent per minuut als je het ervoor over hebt om twee uur in de rij te staan bij het telecommunicatiekantoor of zestien gulden als je op je gemak in het hotel wil bellen (betalen in harde valuta). In de winkels staan lange rijen, maar als je meer geld dan tijd hebt kun je buiten, voor de winkel dezelfde producten sneller, maar duurder ook kopen. Treinkaartjes zijn spotgoedkoop, maar je kunt ze niet kopen omdat alle kaartjes voor maanden door de maffioso van de zwarte markt opgekocht zijn. Ikzelf kan met moeite een enkeltje Moskou-Londen kopen voor tachtig dollar. Officiële prijs: vierhonderd roebel oftewel acht gulden! Bij dezelfde zwarte markt jongens kunnen we voor concurrerende prijzen overnachten. Deze criminelen zijn de eersten die het kapitalistische systeem begrijpen en daar ook duidelijk de vruchten van plukken, ten koste van degenen die er nog aan moeten wennen.

Mooi is Moskou nog wel. Het rode plein is nu door de sneeuw sfeervol wit gekleurd en zou door menig sportvlieger als favoriete landingsplaats kunnen dienen als de hekken rond het Lenin-mausoleum er niet zouden staan. Het vroeger angstaanjagende plaatje van het Kremlin, dat gepaard ging met het vijandbeeld van de Rus lijkt nu meer op een kerstkaart. Het mooiste van Moskou is overigens onder de grond te zien, in de metro. De stations zijn ware musea van veelal barokke kunst. Niet de in metrostations gebruikelijke reclameposters en graffiti, maar kroonluchters, schilderijen, fresco’s en stenen of bronzen beelden. Muzikanten, van accordeon spelende troubadours tot complete rockbands, luisteren de wandelgangen tussen de haltes op. In plaats van een macabere, criminele sfeer hangt er in de Moskouse metro een warme entourage, waar je zonder angstgevoelens ook ’s avonds laat kunt vertoeven. Je kunt er wel makkelijk verdwalen, want de routing is nu niet direct gebruikersvriendelijk te noemen voor niet Russisch geletterden. Het kost me een hele week om in een keer de juiste halte te vinden voor mijn ontbijtbuffet, maar dat maakt niet uit; het is een genot om hier rond te dwalen.

St. Petersburg

Op treinkaartjes en stationsborden staat nog steeds de oude naam Leningrad, en zelfs veel mensen in de straat moeten nog wennen aan de nieuwe, oude naam. Het is winter, en je moet op tijd opstaan om iets van de prachtige pastelkleurige straten van de stad te kunnen zien, want om half drie wordt het al weer donker. Ik bezoek het beroemde Hermitage museum, met misschien wel de grootste kunstcollectie in de wereld, maar ben meer onder de indruk van de architectuur van het enorme gebouw, dan van het tentoongestelde. Als het niet zo koud en donker was, zou ik wel een tijdje langer willen blijven in deze stad, met zijn vele musea, circusgebouw, basilieken en kathedralen, maar vooral de mooie “gewone” huizen en straten met muzikanten.

De Moskou – Hoek van Holland – express

Terug in de hoofdstad vind ik na enige naspeuring mijn fiets weer terug en slaag erin het onhandige gevaarte met de metro naar de andere kant van de stad te brengen, vanwaar de trein westwaarts zal vertrekken. Zwaar bepakt met souvenirs begin ik zo aan de laatste grote etappe van de reis. Ik kan het nog moeilijk geloven, maar over een kleine veertig uur zal ik weer in Nederland zijn, na anderhalf jaar Azië. Ik deel een coupé met een Lets echtpaar en een Rus, die behalve Engels ook Duits, Frans, Spaans, Zweeds en zelfs Nederlands spreekt en nu voor ‘t eerst sinds dertig jaar zijn land mag verlaten voor een bezoek aan een Nederlandse vriend. Het probleem, waar ik me in Beijing tegen verzekerde, de voedselschaarste in de trein, doet zich nu voor. Er is geen restauratiewagen, en ik heb geen proviand ingeslagen. Ik zou overigens ook niet hebben geweten, waar ik dat had moeten doen, zonder eerst uren in de rij te moeten staan. Het is een beetje vreemd, maar ik laat me door de inwoners van het door voedselschaarste geteisterde land van een boterham voorzien terwijl de trein door Polen suist. Dezelfde avond bereiken we de Duitse grens en voor ik het weet zit ik in Berlijn. De volgende ochtend word ik wakker, kijk uit het raam en zie een bordje: Hengelo. Ik ben weer thuis.

Tot slot nog even dit:

Dit verhaal delen?
  • Hyves
  • NuJIJ
  • Facebook
  • LinkedIn
  • Google Bookmarks